Prenataal
Elke dag word je een dagje ouder. Maar slechts één keer per jaar wordt dat zichtbaar. Omdat we tellen in jaren. In aanloop naar die dag heb ik last van een prenatale depressie. Een hele zware. Omdat ik van mezelf moet terugblikken, overzien. Nadenken over de ervaringen en de daarbij behorende wijze lessen van het afgelopen levensjaar. En omdat ik moet bedenken of ik dat het komende jaar ook zo wil. En als dat niet zo is, hoe dan wel. Het is geen keuze, het moet elk jaar weer. En het gebeurd. Soms heel gestructureerd op papier, soms als een chaotische warboel in mijn hoofd. Hoe harder ik het negeer, hoe ongenietbaarder ik word. Dus doe ik het, dwangmatig.
Ik heb geleerd mijn depressie niet te delen, want ik voel me dan nog meer onbegrepen. “Ach, het is toch een dag als elke andere”, “Er verandert toch niks?“, ”Je voelt je toch nog(!) jong?” Of erger, reacties van familieleden, die je toch al niet goed begrijpen: Dit jaar kom je echt wel de ware tegen” (was ik niet op naar zoek!), “dit jaar op naar die leuke baan” (heb ik al!).
De dag zelf overleef ik vanwege de warme aandacht van vrienden die per sms, e-mail of door de brievenbus binnenkomt. Vanwege het digitale tijdperk is de laatste categorie aanzienlijk teruggelopen (score dit jaar: vier), maar het roodgloeiende sms-piepje maakt een hoop goed.
Het is weer voorbij. Nog 363 dagen voordat de volgende depressie zich aandient. Dat kan ik aan.
Wijs?
Niet zo lang geleden zei iemand tegen me dat na een lange reis de geest altijd een dag later aankomt dan het lichaam. Klinkt herkenbaar, dus best wijs.
Of is het gewoon een excuus om die dag iets te doen met je lijf, waarbij je je hoofd niet kunt of wilt gebruiken? Iets stoms, iets geks, iets onverantwoordelijks. Waarbij je je lijf de schuld kunt geven, want je geest was er immers nog niet. Klinkt als best handig. En dat is misschien ook wel wijs, toch?
Wat als….?
Hij stapte in haar leven alsof hij niet al twaalf jaar weg was geweest. De jongen (ja, dat was hij toen, misschien nog wel steeds) die veertien jaar geleden voor het eerst haar hart had veroverd. De jongen waarvan ze overtuigd was dat ze oud met hem ging worden, zijn kinderen ging baren. De jongen waarmee de de wereld zou ontdekken, waarmee ze zou vergroeien, de man van haar leven.
Ze was niet echt verrast. Natuurlijk was de kans aanwezig dat ze elkaar weer tegenkwamen, studiegenoten, de wereld was immers zo klein. Hij was niet veranderd, constateerde ze. Het goede leven was hem zichtbaar, dat wel. Daar waar toen een slanke, nog niet door het studentenleven aangetaste six-pack zat, was nu een klein welvaartsbuikje zichtbaar. Maar verder had hij nog steeds die blonde kop, met de krul die toen ook al eigenwijs op zijn voorhoofd hing. Jij ook niet, fluisterde hij. Natuurlijk was ze dat wel, ze was sterker, zelfverzekerder, bewuster. Krachtiger.
Zijn grappen vertederden haar nog steeds. Zijn licht provinciale accent was nog steeds hoorbaar, ondanks acht jaar Amsterdam. Hij werd vader, voor de tweede keer. Had ze de moeder willen zijn? Ze wist het antwoord niet. Beter zo.
Maar toen hij haar een afscheidsknuffel gaf en grappend in haar oor fluisterde “Verlaat je me weer? Tweede keer.” voelde ze loodzwaar de consequentie van de keuze die ze 12 jaar geleden had gemaakt. Wat als…, hoe zou het leven er uit hebben gezien? Zinloos, die gedachtenexcercitie. Ze was nooit geworden wie ze nu was. En daar was ze tevreden mee. De incalculeerbare ups en downs, het bewustzijn waarmee ze in het leven stond. Nooit spijt van de keuzes die ze gemaakt had. En toch lichte weemoed. Nostalgie, melancholie?
Ja, waarschijnlijk.
Poezië (2)
Bijna was ze het kwijt. Weggestopt in een donker hoekje. Een herinnering, die vanwege de aanzwellende stoflaag niet meer zichtbaar was. Zo goed als in vergetelheid geraakt.
De herinnering aan de dichter, haar dichter. De dichter die door zijn zwevende rusteloosheid besloot dat ze niet in zijn leven thuis hoorde. Toen niet. Nu niet. Want de oorverdovende stilte sindsdien spreekt boekdelen. Ze had getreurd, gerouwd. Rouw ging over in orde van de dag. En op een dag scheen de zon als vanouds.
In de arena van de dagelijkse orde is geen ruimte meer voor poëzie, rouw of een leaseauto. De postbode deelt die mening niet. Het lot ook niet. Ze hebben de een pact gesloten. Met een zachte plof kwam de boodschap haar huis binnen. Een vertraagde parkeerboete. Eentje die ze had gekregen toen hij haar zijn gedichten voorlas. De bon had de afgelopen maanden als een masochistisch relikwie aan haar prikbord gehangen. Was langzaam verdwenen onder krantenknipsels, concertkaartjes. Maar nu de officiële aanklacht, in volle glorie, paars-rood omlijst.
Blijkbaar bestaat God. En vindt hij het de hoogste tijd. Waarvoor? Om me te doen stilstaan, te herinneren. Om te koesteren, te leren en weer door te kunnen gaan.
Dank U. Maar de volgende keer graag wat eerder.
Waarheen?
Vandaag ben ik beschuldigd. Ik meen onheus. Echt. Desondanks kwam de beschuldiging keihard aan, als een stomp in mijn maag. En ik kon niet anders dan genadeloos vilein het verbale zwaard op mijn aanklager laten neerdalen. Een wanhoopsdaad. Een vis die spartelend naar lucht hapt. Heel gemeen en heel onheus. Het luchtte niet op, niet eens een beetje. Trots is de barrière voor het vragen van vergiffenis.
Maar zeg nou eerlijk: hoe kan hij nou weten dat ik niet dicht bij mezelf sta, als ik de route er naar toe nog niet eens heb bepaald?